Whisky is misschien wel de meest eenvoudige sterke drank die er bestaat. Graan, water, gist. Meer is het niet. Alles wat je uiteindelijk in het glas proeft — vanille, rook, gedroogd fruit, kruiden — ontstaat onderweg.
Van graan naar distillaat
Het begint met gerst. Die laat je kiemen en droog je daarna in een eest. Wil je een rokerige whisky, dan stook je turf onder die droogoven; de rook trekt in het graan en blijft er tot in de fles in zitten.
Het gemoute graan wordt gemalen en gemengd met heet water. Daarbij komen de suikers vrij. Die suikerhoudende vloeistof gaat de gistkuip in, waar gist er alcohol van maakt. Wat je dan hebt is eigenlijk bier zonder hop, van een procent of acht.
Daarna volgt de distillatie in koperen ketels. De distilleerder scheidt de voorloop en de naloop af en houdt alleen het middenstuk over. Dat heet nieuwe distillaat: helder, scherp, en nog geen whisky.
Het vat doet de rest
Pas op vat wordt het whisky. In Schotland moet dat minimaal drie jaar duren, maar in de praktijk ligt whisky vaak veel langer. Het hout geeft kleur en smaak af, en de whisky die eerder in dat vat zat — sherry, bourbon, port — laat zijn sporen na.
Daar zit ook het grootste deel van het karakter. Twee vaten van dezelfde distilleerderij, gevuld op dezelfde dag, kunnen na tien jaar volstrekt verschillende whisky bevatten.
Waar wij in zitten
Wij importeren whisky uit Schotland en Ierland, laten die in onze eigen warehouses verder rijpen en bottelen zelf. Dat laatste stuk — vat kiezen, laten liggen, op het juiste moment bottelen — is waar het bij ons om draait.
Meer termen tegengekomen die je niet kent? Ons whisky woordenboek legt honderd begrippen uit.